H. Andreas, Apostel

zaterdag 30 november 2019

Eerste lezing

Rom 10:9-18

Welnu, wanneer ge belijdt met uw mond, dat Jesus de Heer is, en gelooft met uw hart, dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, dan zult ge worden gered; want men gelooft met het hart ter rechtvaardiging, en men belijdt met de mond ter redding. De Schrift immers zegt: "Al wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd komen te staan." Neen, er bestaat geen onderscheid tussen Jood en Griek; Hij toch is dezelfde Heer voor allen; rijk voor allen, die Hem aanroepen; "Al wie immers de naam des Heren zal aanroepen, zal worden gered." Hoe zullen ze Hem dan aanroepen, in wien ze niet hebben geloofd? En hoe zullen ze in Hem geloven, van wien ze niet hebben gehoord? En hoe zal men preken, als men niet gezonden is? Zoals er geschreven staat: "Hoe lieflijk zijn de voeten van hen, die de blijde boodschap brengen!" Maar niet allen hebben gehoor gegeven aan de Blijde Boodschap. Want Isaias zegt: "Heer, wie heeft onze prediking geloofd?" Het geloof ontstaat dus door de prediking; de prediking geschiedt krachtens opdracht van Christus. Maar dan vraag ik: Hebben ze haar misschien niet gehoord? Toch wel! "Hun stem heeft zich over heel de aarde verbreid, En hun woorden tot aan de uiteinden der wereld.".

Evangelie

Mt 4:18-22

Terwijl Jesus langs het meer van Galilea wandelde, zag Hij twee broers het net uitwerpen in het meer: Simon, die Petrus wordt genoemd, en Andreas zijn broer; want ze waren vissers. Hij zeide hun: Volgt Mij, en Ik zal mensenvissers van u maken. Aanstonds verlieten ze hun netten, en volgden Hem. En toen Hij vandaar verder ging, zag Hij twee andere broers, Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijn broer, die met hun vader Zebedeüs in de boot bezig waren, hun netten te herstellen; Hij riep ook hen. Onmiddellijk verlieten ze de boot en hun vader, en volgden Hem.