Achtentwintigste zondag door het jaar

zondag 11 oktober 2020

Eerste lezing

Jes 25:6-10a

Dan zal Jahweh der heirscharen Op deze berg voor alle volken Een maaltijd bereiden van vette gerechten en dranken. Mergrijke spijzen. parelende wijnen! Op deze berg scheurt Hij de sluier. die alle volken bedekt. Het floers. dat alle naties omhult. En doet de dood voor eeuwig te niet. Jahweh der heirscharen wist de tranen van alle gezichten. Neemt over de hele aarde de schande weg van zijn volk! Waarachtig. Jahweh heeft het gezegd! Op die dag zal men zeggen. Dit is onze God. Op wien wij hoopten. dat Hij ons zou verlossen. Dit is Jahweh. op wien wij vertrouwden. Laat ons juichen en jubelen in zijn hulp! Want de hand van Jahweh zal op deze berg blijven rusten. De vijand zal worden vertrapt als stro op de mestvaalt.

Tweede lezing

Fil 4:12-14,19-20

Ik weet armoede te lijden en in overvloed te leven; met alles ben ik in alle omstandigheden vertrouwd: met verzadigd zijn en honger lijden, met overvloed en met gebrek. Tot alles ben ik in staat door Hem, die mij sterkt. Toch hebt gij goed gedaan, met me bij te staan in mijn nood. Mijn God zal dan ook in Christus Jesus in al uw behoeften voorzien naar zijn rijkdom en door zijn heerlijkheid. Aan onzen God en Vader zij de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Evangelie

Mt 22:1-14

Weer nam Jesus het woord, en sprak tot hen in gelijkenissen: Het rijk der hemelen is gelijk aan een koning, die een bruiloftsmaal gaf voor zijn zoon. En hij zond zijn dienaars uit, om de genodigden tot de bruiloft te roepen; maar ze wilden niet komen. Opnieuw zond hij andere dienaars, en sprak: Zegt aan de genodigden: Ziet, ik heb mijn maaltijd gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht, en alles is klaar; komt toch ter bruiloft. Maar ze sloegen er geen acht op, en gingen huns weegs; de een naar zijn hoeve, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden ze. Toen werd de koning vergramd; hij zond zijn leger uit, doodde die moordenaars en stak hun stad in brand. En hij sprak tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal is wel gereed, maar de genodigden verdienden het niet. Gaat dus naar de kruispunten der straten, en nodigt allen ter bruiloft, die gij er vinden zult. Zijn dienaars gingen de straten op, en verzamelden allen, die zij er aantroffen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal werd met gasten gevuld. Toen nu de koning binnentrad, om de aanliggende gasten te zien, zag hij een man, die geen bruiloftskleed aan had. En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt ge hier zonder bruiloftskleed binnengekomen? Hij wist er geen antwoord op te geven. Nu zei de koning tot zijn bedienden: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem naar buiten de duisternis in; daar zal geween zijn en gekners der tanden. Want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.