Septuagesima zondag

zondag 17 februari 2019

Epistel

1 kor 9:24-27,10:1-5a

Weet gij niet. dat de wedlopers in het renperk wèl allen lopen. maar dat slechts één de prijs behaalt. Loopt dan zó. dat ook gij hem moogt winnen. En hij. die in het worstelperk optreedt. legt zich een volkomen onthouding op. Zij doen het. om een vergankelijke kroon te ontvangen. wij om een onvergankelijke. En daarom loop ik niet als een. die in den blinde voortholt. en worstel ik niet als een. die in de lucht slaat. Maar het is mijn eigen lichaam. dat ik beuk en dat ik er onder houd. om na heraut geweest te zijn voor anderen. zelf niet afgewezen te worden. Ik wil niet. broeders. dat gij er geen acht op zoudt slaan. hoe onze vaders allen onder de wolk waren. allen door de zee heentrokken. en allen door wolk en zee in Moses werden gedoopt. hoe ze allen dezelfde geestelijke spijs hebben gegeten. hoe ze allen dezelfde geestelijke drank hebben gedronken. want ze dronken uit een geestelijke rots. die hen vergezelde. en die rots was Christus. Toch heeft God in de meesten van hen geen welbehagen gehad. want ze werden neergeveld in de woestijn.

Evangelie

Mt 20:1-16

Het rijk der hemelen toch is gelijk aan een heer des huizes, die in de vroege morgen uitging, om arbeiders voor zijn wijngaard te huren. Nadat hij met de arbeiders was overeengekomen voor één tienling per dag, stuurde hij ze naar zijn wijngaard. En tegen het derde uur ging hij uit, en zag anderen werkeloos staan op de markt. Hij zeide hun: Gaat ook gij naar mijn wijngaard; en wat billijk is, zal ik u geven. Ze gingen er heen. Opnieuw ging hij tegen het zesde en het negende uur, en deed eveneens. Ook tegen het elfde uur ging hij uit, en vond er nog anderen staan. En hij sprak tot hen: Waarom staat gij hier de hele dag werkeloos? Ze zeiden hem: Omdat niemand ons heeft gehuurd. Hij zei hun: Gaat ook gij naar mijn wijngaard. Toen het nu avond geworden was, sprak de heer van de wijngaard tot zijn rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon: te beginnen bij de laatsten, en zo tot de eersten. Zij die op het elfde uur waren gekomen, ontvingen ieder een tienling. Toen nu ook de eersten kwamen, dachten ze meer te zullen ontvangen; maar ook zij kregen ieder een tienling. Ze namen hem aan, maar begonnen tegen den heer des huizes te mopperen, en zeiden: Dezen hier, die het laatst zijn gekomen, hebben slechts één uur gewerkt; en ge stelt ze gelijk met ons, die de last en de hitte van de dag hebben gedragen. Maar hij antwoordde aan één van hen: Vriend, ik doe u geen onrecht. Zijt ge niet voor een tienling met mij overeengekomen? Neem dus het uwe, en ga heen. Ik wil aan hem, die het laatst is gekomen, evenveel geven als aan u. Of staat het me niet vrij, met het mijne te doen wat ik wil? Of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben? Zo zullen de laatsten de eersten zijn, en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.