Dinsdag in de tweede week van de Vasten

dinsdag 10 maart 2020

Epistel

1 kon 17:8-16

Toen werd het woord van Jahweh tot hem gericht: Sta op, ga naar Sarepta bij Sidon, en blijf daar; want Ik heb daar een weduwe bevolen, u van voedsel te voorzien. Hij stond dus op, en ging naar Sarepta. Toen hij bij de ingang der stad kwam, was daar juist een weduwe hout aan het sprokkelen. Hij riep haar en zei: Haal mij in uw kruik wat water, opdat ik kan drinken. En terwijl zij het ging halen, riep hij haar nog achterna: Breng mij dan meteen een stuk brood mee. Zij antwoordde: Zo waar Jahweh, uw God, leeft; ik heb geen brood meer; alleen nog maar een handvol meel in de pot en een beetje olie in de kruik. Ik ben nu een paar houtjes aan het sprokkelen; dan ga ik naar huis, om wat klaar te maken voor mij en mijn zoon. Hebben we dat gegeten, dan moeten we sterven. Elias sprak tot haar: Wees niet bezorgd; ga naar huis en doe, wat ge van plan waart. Maar maak eerst een klein broodje voor mij, en breng dat hier; daarna kunt ge voor uzelf en uw zoon iets klaar maken. Want zo spreekt Jahweh, Israëls God! Het meel in de pot raakt niet op, en de kruik met olie raakt niet leeg, eer Jahweh regen geeft op het land! Toen ging ze heen, en deed wat Elias gezegd had. Hij at, en ook zij met haar gezin, dag in, dag uit. Want het meel in de pot raakte niet op, en de kruik met olie raakte niet leeg, zoals Jahweh door de mond van Elias beloofd had.

Evangelie

Mt 23:1-12

Nu sprak Jesus tot het volk en tot zijn leerlingen: Op de zetel van Moses zitten de schriftgeleerden en farizeën. Onderhoudt en doet dus alles, wat ze u zeggen; maar handelt niet naar hun werken. Want ze zeggen het wel, maar ze doen het niet. Ze binden zware en ondragelijke lasten bijeen, en leggen die op de schouders der mensen; maar zelf willen ze die met hun vinger niet aanraken. Al hun werken verrichten ze om door de mensen opgemerkt te worden; ze maken hun gebedsriemen breed, en hun mantelkwasten groot. Ze zijn op de eerste plaatsen bij feestmalen belust, op de eerste zetels in de synagogen, en op de begroetingen op de markt, en willen door de mensen rabbi worden genoemd. Neen, laat u geen rabbi noemen; want één is uw Meester, en allen zijt ge broeders. Noemt ook niemand op aarde uw vader; want één is uw Vader, die in de hemelen is. Laat u ook niet leraars noemen; want één is uw Leraar, de Christus. De grootste onder u moet uw dienaar zijn. Maar wie zich verheft, zal worden vernederd; wie zich vernedert, zal worden verheven.