Prentencatechismus

Uit de Heilige Schrift

Tobit 8:1-8

Na de maaltijd bracht men dus den jongeman bij haar binnen. Maar de woorden van den engel indachtig, haalde Tobias uit zijn reiszak een stuk van het hart en van de lever te voorschijn, en legde dat op de gloeiende kolen. Toen greep de engel Rafaƫl den bozen geest, en bond hem vast in de woestijn van Boven-Egypte. Daarna richtte Tobias zich tot het meisje en sprak tot haar: Sara, sta op; wij moeten vandaag, morgen en overmorgen tot God blijven bidden. Deze drie nachten blijven we verbonden met God; eerst als de derde nacht voorbij is, zullen we ons huwelijksleven beginnen. Wij zijn immers kinderen der heiligen, en kunnen dus het huwelijk niet beginnen als de heidenen, die God niet kennen. Zij stonden dus beiden op en begonnen samen vurig te bidden, dat zij gespaard mochten blijven. En Tobias sprak: Heer, God van onze vaderen; dat hemel en aarde U loven, met de zee, de bronnen en de stromen, en met al uw schepselen, die er in wonen. Gij hebt Adam geschapen uit het stof van de aarde, en hem Eva toegewezen als een hulp.