Prentencatechismus

Uit de Heilige Schrift

Mt 26:6-16

Terwijl Jesus nu te Betánië was in het huis van Simon den melaatse, kwam er een vrouw naar Hem toe, die een albasten kruik vol kostbare balsem droeg; ze goot die uit over zijn hoofd, terwijl Hij aanlag aan tafel. Toen de leerlingen dit zagen, werden ze verontwaardigd en zeiden: Waarom die verkwisting? Men had dat toch duur kunnen verkopen, en het goed aan de armen kunnen geven. Jesus merkte het, en sprak: Waarom valt gij de vrouw lastig? Ze heeft immers een goed werk aan Mij gedaan. Want de armen hebt gij altijd bij u; Mij niet. Toen ze die balsem uitgoot over mijn lichaam, deed ze dat voor mijn begrafenis. Voorwaar, Ik zeg u: overal in heel de wereld, waar dit Evangelie wordt gepreekt, zal ook tot hare gedachtenis worden vermeld, wat ze gedaan heeft. Toen ging één van de twaalf, Judas Iskáriot genaamd, naar de opperpriesters, en sprak: Wat wilt gij me geven, als ik Hem aan u overlever? Ze beloofden hem dertig zilverlingen. Van toen af zocht hij naar een gelegenheid, om Hem te verraden.