Prentencatechismus

Uit de Heilige Schrift

Judit 13:1-20

Toen het laat was geworden en zijn dienaars haastig naar hun tenten waren gegaan, sloot Vágao het vertrek af en ging heen; want allen waren loom van de wijn. Zo bleef Judit alleen in de tent met Holoférnes, die bedwelmd op zijn bed lag, omdat hij te veel had gedronken. Tevoren had Judit haar dienstmaagd bevolen, buiten voor de kamer gereed te staan en daar te wachten. Nu trad Judit voor het bed en met tranen in de ogen bad zij in stilte, terwijl alleen haar lippen bewogen: Heer, God van Israël, maak mij sterk, en zie op dit ogenblik neer op het werk van mijn handen, om Jerusalem te verheerlijken, zoals Gij beloofd hebt. Laat mij voleinden, wat ik in vertrouwen op U meende te kunnen volbrengen! Hierop sloop zij naar de zuil aan het hoofdeinde van zijn bed, en maakte zijn zwaard los, dat daaraan was opgehangen. Zij trok het uit de schede, greep hem bij de haren en riep: Heer, God, geef mij nu kracht! En met twee krachtige slagen in zijn nek sloeg zij hem het hoofd af. Ze duwde de romp van het bed en trok het muskietengaas van de zuilen. Onmiddellijk daarop ging ze naar buiten, gaf het hoofd van Holoférnes aan haar dienstmaagd, en beduidde haar, het in haar etenszak te bergen. Evenals de andere keren, gingen ze nu samen naar buiten, alsof ze wilden gaan bidden; ze liepen de legerplaats door, staken het dal over en kwamen zo voor de stadspoort. Reeds uit de verte riep Judit de wachters op de muren toe: Maakt de poorten open, want God is met ons; Hij heeft zijn kracht in Israël getoond! Zodra de mannen haar stem maar hoorden, riepen zij de oudsten der stad, en alles kwam toegelopen, groot en klein, omdat zij niet meer hadden verwacht, dat zij zou terugkomen. Zij staken de lichten aan en stelden zich allen om haar heen. Nu ging Judit op een verhevenheid staan, en nadat zij stilte geboden had, en allen zwegen, sprak ze: Looft den Heer, onzen God; want Hij heeft hen niet verlaten, die op Hem hopen! Door mij, zijn dienares, heeft Hij de ontferming in vervulling doen gaan, die Hij aan Israëls huis had beloofd; door mijn hand heeft Hij deze nacht den vijand van zijn volk gedood. Nu haalde zij het hoofd van Holoférnes uit de zak te voorschijn, liet het hun zien en sprak: Hier is het hoofd van Holoférnes, den aanvoerder van het assyrische leger, en hier is het muskietengaas, waaronder hij zijn roes lag te slapen, toen de Heer hem neersloeg door de hand van een vrouw. Zo waar de Heer leeft; zijn engel heeft mij beschermd, toen ik hier wegging, terwijl ik daar woonde, en nu ik hier terug ben. De Heer heeft niet toegelaten, dat zijn dienares werd onteerd. Vrij van iedere smet van zonde heeft Hij mij bij u teruggebracht, om mij te verheugen over zijn zege, over mijn redding en over úw bevrijding.