Prentencatechismus

Uit de Heilige Schrift

Het tweede boek makkabeeën 3:22-28

En men smeekte den almachtigen God, dat Hij het toevertrouwde bezit zo veilig mogelijk en in ongeschonden staat zou bewaren voor hen, die het daar hadden belegd. Intussen ging Heliodórus er heen, om zijn plan ten uitvoer te brengen. En reeds bevond hij zich met zijn lijfwacht op de plaats bij de schatkamer, toen de Heer der geesten, die over alle macht beschikt, zulk een ontzagwekkende verschijning liet komen, dat allen, die het gewaagd hadden binnen te dringen, door Gods macht werden getroffen, en in onmacht vielen van schrik. Want er verscheen hun een paard met een angstwekkenden ruiter! Het dier, dat prachtig was opgetuigd, stormde vooruit met geweld, en stoof met zijn voorpoten op Heliodórus af; de ruiter schitterde, in een gouden wapenrusting gedost. Daarna verschenen hem twee jongemannen, geweldig sterk, in schitterende glans en prachtig gekleed; zij stelden zich op aan beide kanten, geselden hem zonder ophouden, en brachten hem gevoelige slagen toe. Toen viel hij plotseling op de grond, en een dichte duisternis hield hem omvangen. Ze grepen hem vast, legden hem neer op een baar, en droegen hem hulpeloos weg: hem, die nog kort te voren met groot gevolg en zijn gehele lijfwacht de voornoemde schatkamer was binnengedrongen. Zo moesten zij er wel duidelijk een teken van Gods macht in erkennen.